Naar aanleiding van 100 jaar kerk...

In de vroege ochtend van 10 december 1798 marcheerde een detachement Sansculotten door de Isabellastraat richting Den Dries of het huidige kerkplein. Eerst werd op bevel van kommissaris Raeymakers de klok uit de toren gehaald en daarna werd de kapel van Sint-Geertrui met de grond gelijk gemaakt. Pede had het zwaar te verduren tijdens de Franse bezetting, een uitloper van de Franse revolutie.

Met dit stukje uit de geschiedenis van ons dorp en zijn kerk beginnen wij het verhaal van Pede. Vervolgens zullen wij een beeld schetsen van het leven in Pede 100 jaar geleden.


Ons dorp moet een zeer oude nederzetting geweest zijn. Dat leren wij uit de legende van Sint-Gertrudis of de heilige Geertrui. Zij was een jonge abdis van de abdij van Nijvel en bestuurde ons gewest. Omstreeks het jaar 650, tijdens een van de tochten door de Dietse bezittingen, bleef haar koets getrokken door 6 paarden hier ergens in de modder steken. Geertrui was verplicht haar tocht naar Lennik te voet verder te zetten. Volgens de legende ontstond toen de naam pede of de latijnse vertaling van "te voet".

Gertrudis leefde niet lang en stierf amper 33 jaar oud. Zij leefde zeer sober, droeg steeds een boetekleed en stierf van ontbering. Vermoedelijk verwijzen de muizen op het schilderij hier in de kerk naar haar gewilde armoede.

De nederzetting Pede ontstond langs de middeleeuwse baan van Brussel naar Lennik. Die weg volgde de Pedevallei. Water is leven en langs de Molenbeek en haar bijrivieren stonden een drietal versterkte hoeven, ook motte genoemd, het "hove van Moersele", "het hof te Pede" en het Waterhof in Bossuyt. Deze hofsteden hingen oorspronkelijk af van de abdij Sint Gertrudis in Nijvel en later van de Heren van Gaasbeek.

Maar de legende van de heilige Gertrudis liet Pede niet los en er ontstond zowaar een bedevaartoord. Daarom liet Willem van Moorsel, een kasteelheer in Pede en leenheer van de Abdij van Nijvel, hier een kapel bouwen ter ere van Sint-Gertrudis. In het zegel van onze kerkfabriek vindt men het wapenschild van deze Willem van Moorsel.

In 1456 kwam de hulpbisschop van Kamerijk (Cambrai) hier de nieuwe kapel inwijden. Later werd de kapel met de steun van de families Pipenpoys en Van Bossuyt, merkelijk vergroot. De laatste gebroeders Pipenpoys woonden op het Waterhof, tussen de Rosweg en het Olmenpark, Bossuyt genaamd.

In die tijd lag het kerkhof rond de kerk en de oppervlakte ervan was drie vierden dachwant, 20 are. Er bestaat een nauwkeurige beschrijving van "De capelle van S.Geertruide Pede" in een dekenaal verslag van 1782. Later tijdens de Franse bezetting in 1798 werd de kapel door de Sansculotten ten gronde vernield. Rond 1807 werd ze terug opgebouwd te samen met het woonhuis van de kapelaan, op kosten van de inwoners. Deze kapel is te zien op een schilderij in de pastorie. Toen stond de toren aan de westkant.

Als we even rondkijken in onze kerk komen we heel wat te weten over het verleden. De twee wapenschilden boven het altaar behoren toe aan twee adelijke families. Links de familie Van Pede die eigenaar was van de watermolen in de 14de eeuw en rechts de familie Estor die op het hof Van Moersele woonde in de 15de eeuw.

De inscriptie "ANNO 1638" op de zuil onder het hoofdaltaar verwijst naar de vroegere bedevaartkapel; de glasramen boven het altaar, links Sint-Gertrudis en rechts Sint-Martinus, verwijzen naar onze patroonheilige en naar Sint-Martens-Lennik. Sint-Martens-Lennik bleef onze moederkerk tot 1860. De glasramen zijn een schenking van de familie Heymans.

Wat we niet meer kunnen zien is de lofzang van het 2de boek der psalmen, uitgebeeld op de boog die het koor van het schip van de kerk scheidt, nl het hert dat naar stromend water smacht. In het centraal gedeelte van de boog prijkte het Lam Gods.

Tot het einde van de 19de eeuw had Pede geen residerend priester of pastoor. Er kwamen kapelanen uit Gaasbeek of uit Sint-Martens Lennik voor de erediensten. Meermaals maakten de parochianen hierover hun beklag bij de bisschop van Mechelen. De eerste vaste pastoor Philippus-Frans Schoonheydt werd ingeleid op 24 mei 1890. De tweede pastoor, Fransciscus Benz werd ingeleid op 11 juni 1896.

Onze ongebonden relaties met Schepdaal verdienen ook een vermelding in de geschiedenis van Pede.
Nog in 1881 had de kerkraad van Schepdaal zich verzet tegen de afscheiding van Pede als parochie. Sommige "oudere" parochianen zullen zich herinneren dat de relaties met Schepdaal altijd wat afstandelijk geweest zijn. Ook letterlijk, want de kortste weg van Pede naar Schepdaal was in de winter onberijdbaar en het verkeer moest om langs de Spanuit.

Minder bekend is de gemiste kans op gemeentelijke autonomie van Sint-Gertrudis-Pede. Op 19 mei 1893 stemde een meerderheid van de kamer van volksvertegenwoordigers voor een gemeente Pede. Het besluit werd door de Senaat niet bekrachtigd omdat er een discussie was over de inlijving bij het kanton Lennik of bij het kanton Anderlecht.

Een ander merkwaardig verhaal handelt over de gemeenteschool of de huidige gemeenschapslokalen.
De school werd gebouwd in 1884 en bleef 10 jaar ongebruikt, omdat noch Schepdaal noch Sint-Martens-Lennik de nieuwe school wilden openen. Op het einde van de 19de eeuw kende België een schoolstrijd en deze zal zeker meegespeeld hebben op het lokale vlak. Onderwijs was toen immers reeds de grootste uitgavepost in de gemeente.

In 1890 werd Sint-Gertrudis-Pede een autonome parochie, bekrachtigd door een koninklijk besluit en een aartsbischoppelijk decreet. De parochie strekt zich uit over 4 gemeenten Schepdaal, Sint-Martens-Lennik, Itterbeek en Vlezenbeek. Nu nog wordt 20% van de begroting van de kerkfabriek gedragen door de gemeente Lennik. Hierbij denken wij aan de parochianen van de Rosweg en de Verloren Hoek.

Bij het tot stand komen van de zelfstandige parochie speelde molenaar Dominique Decamps, een vrijgezel, een belangrijke rol. Deze man was de voorganger van de familie Zegers, de laatste molenaars van Pede.

In 1898 werden de eerste plannen van de huidige kerk in primitief gothische stijl, Engelse trant, getekend door architect Veraert. In 1907 werd de bouw toegewezen aan aannemer J.B. Raemdonck. De oude kapel moet heel bouwvallig geweest zijn. In 1906 stortte de middenbeuk in, enkel de toren bleef overeind. Het neerhalen van de toren was een spektakel voor heel het dorp. De lucht zou zwart zien van het ongedierte en het stof.

Op 11 december 1907 werd onze kerk ingezegend door deken Verbesselt van Sint-Kwintens-Lennik. Deken Verbesselt schreef de geschiedenis van het Parochiewezen in Brabant, een belangrijke bron van informatie over onze parochie.

Hoe moeten wij ons nu het leven in Pede anno 1907 voorstellen?

Leopold II was toen koning en had 1 jaar voordien Kongo aan België geschonken. De toenmalige eerste-minister was Frans Schollaert, een kristen-democraat die opnieuw schoolvrede bracht.

Het gehucht Pede telde ongeveer 600 inwoners en 120 huizen of wat toen als woning gebruikt werd.

In een sociaal-economische studie van Professor Appelmans over Schepdaal in 1905 lezen wij hierover meer:
Eerst waren er de kleine lemen huizen met strooien dak en binnen slechts enkele overgeerfde meubelen. In die periode begon de uitbreiding van de lemen huizen met de aanbouw van een stal of een schuur in baksteen. Deze bakstenen werden ter plaatse gemaakt. De meeste parochianen waren kleine landbouwers die de grond huurden van pachters. Ruilhandel was de regel en geld werd enkel verdiend met aardbeien en hop. Elders gaan werken was een uitzondering. De 5 lokale brouwerijen in Schepdaal stelden 50 personen te werk. De studie vermeldt dat in 1905 slechts 10 inwoners uit Schepdaal, dagelijks met de buurttram pendelden naar Brussel. Er was toen sprake van een ontvolking van de gemeente en een laag geboortecijfer door de uitwijking van de jongere generatie naar Brussel.

Onze toenmalige parochianen waren zeer godsvruchtig en behulpzaam voor elkaar. De godsdienst en zijn symbolen waren verweven in het leven van elke dag: eerder een kruisbeeld dan een spiegel in huis. Een taak of een maaltijd begon steevast met een kruisteken. Bij het aansnijden van een vers brood, werd het met een kruisteken getekend. Een gewijde tak wordt gebruikt om het land en de hoeve te beschermen bij onweer, knielende kinderen vragen de zege van de ouders bij het slapen gaan en men groet de werkman met uitspraken zoals "God vordere u" waarop hij antwoordt "God loone u".

Bij een overlijden neemt de ganse gemeenschap deel aan de rouw en elke dag voor de begrafenis is er rozenkrans. De lijkwagen wordt meestal getrokken door vier paarden geleend bij de buren.

Er bestond toen ook een vorm van gemeenschapsdienst. Elk gezinshoofd moest 2 dagen per jaar met paard en kar meehelpen aan het onderhoud van de wegen. Deze vorm van gemeentebelasting kon later afgekocht worden.

De priesters

Niet alleen de kerk stond in het midden van de parochie maar ook de pastoor speelde een centrale rol. Pastoor Benz was naast zieleherder ook landbouwconsulent en af en toe architect. Hij gaf zijn parochianen goede raad bij de verbouwing van woonhuis en hoeve.

Pastoor Benz bleef 40 jaar in Pede waaronder de jaren van de Eerste Wereldoorlog. Hij schreef ook een boek over de geschiedenis van Pede. Het was de tijd van twee processies per jaar.

Zijn opvolger Pastoor Ceulemans werd ingehuldigd in 1938. Hij was de pastoor tijdens de Tweede wereldoorlog. Wij onthouden dat zijn huishoudster de eerste vrouwelijke chauffeur werd in Pede.
Enkele dagen na zijn afscheid in 1950, stortte op een zondagvoormiddag het welfsel van onze kerk naar beneden. Gelukkig gebeurde dit na de hoogmis.

Tijdens de zielezorg van zijn opvolger Pastoor Muylaert was Pede een zeer actieve parochie. Zijn bijzondere aandacht ging naar de jeugd en hij bezielde het verenigingsleven.
De plechtige inhuldiging van een vaandel opgedragen aan het heilig hart, in aanwezigheid van Monseigneur Suenens, was een grote dag voor Pede.
Hij was een sociaal man en een bekende duivenliefhebber.



Met Pastoor Karel Mertens werd Pede verwend. Als geen ander zou deze missionaris door zijn eenvoud en toewijding gedurende 30 jaar onze parochie bezielen.
Als Kempenaar hechtte hij zich aan het Pajottenland, aan zijn natuur en aan zijn mensen. Hij leerde ons genieten van de eenvoudige dingen. Pastoor Mertens hield van een fraaie kerk en samen met de Kerkfabriek steunde hij volop de onderhoudswerken.

Wij zullen Meneer Pastoor niet vergeten en blijven dankbaar voor wat hij voor Pede betekende.